Zoek

Werkwinkel geven

Eigenaar: Ploeg Vorming In Scouting

Type: inhoud

Korte omschrijving:

Hoe steek je een werkwinkel in elkaar.



Lange omschrijving:

De opbouw van een werkwinkel

Stap 1: Beginsituatie in overweging nemen

Wie: vorm jezelf een beeld van de groep. Hoe groot is die? Welke leeftijd en ervaringhebben de deelnemers? Kennen ze elkaar? Wat: wat is het thema van de werkwinkel? Wanneer: wanneer gaat de werkwinkel door? Op welk moment van de dag en hoe langduurt de werkwinkel? Waarmee: welk materiaal heb je ter beschikking? Aantal begeleiders: met hoeveel geef je de werkwinkel?

Stap 2: Achtergrondinformatie opzoeken over het onderwerp

Veel werkwinkels zijn reeds uitgewerkt door vorming in scouting. Een mailtje naar Dienstvorming vorming@scoutsengidsenvlaanderen.be kan dus wonderen doen.Verder vind je op internet veel informatie, vaak voor scholen, maar zeker aanpasbaar naar descouting-context. www.google.be In elk gouwhuis staat een publicatiekoffer waarin je informatie over de meeste onderwerpenvindt.

Stap 3: Bepaal de doelstellingen

Bepaal de doelstelling van de werkwinkel. Wat wil je dat de deelnemers op het einde van dewerkwinkel kennen, kunnen. Waar wil je dat ze bij stilgestaan hebben?Analyseer die doelstelling en splits ze op in kleinere delen. Als er veel deeldoelstellingen zijn,moet je ook selecteren.Doelstellingen schrijf je best in SMART-vorm om te controleren of ze goed zijn.SpecifiekMeetbaarAantrekkelijkRealistischTijdsgebonden Bijvoorbeeld: Thema: verzekeringen.Doelstellingen: Verschillende soorten verzekeringen onderscheiden (burgerlijke aansprakelijkheid,materiaal, ongevallen) Termen die nodig zijn in de communicatie rond verzekeringen verklaren(aansprakelijkheid, franchise,…)

Stap 4: Methodieken en werkvormen uitwerken

Bij de opbouw van een methodiek vertrek je vanuit een concrete beginsituatie (Wat?) en werkje naar een concrete doelstelling (Waar naar toe?). Daartussen ligt de manier waarop je hetdoel wilt bereiken (Hoe?). De methodiek is het middel om je doel te bereiken.De volgorde van je methodieken en opdrachten heeft invloed op de dynamiek en het energiepeilvan de groep.Bijvoorbeeld:Een werkwinkel over spel bouw je zo op dat de spelen van klein naar groot, van simpelnaar moeilijk, van weinig regels naar veel regels, van weinig inbreng naar veel inbrenggerangschikt zijn.Denk aan een logische volgorde zodat de overgang van je verschillende opdacht vlot verloopt.Als je al in een kring staat doe dan eerst nog een paar andere kringspelen. Zorg ook voorafwisseling tussen actieve, verbale en creatieve methodieken.Er staat reeds een hele verzameling methodieken op de site van Steunpunt jeugd. Daar kan jedus ook je mosterd halen. www.steunpuntjeugd.be/themas/kadervorming/methodieken/Achteraan deze brochure vind je een aantal opgesomde methodieken in functie van de opbouwvan een werkwinkel.

Enkele belangrijke theorieën over leren:Wanneer leren mensen?Flow is het tijdsvergeten bezig zijn. Mensen leren het best als ze zich niet vervelen en niet angstig zijn. Afwisseling in de werkwinkel is dus belangrijk om verveling tegen te gaan. Zorgenvoor veiligheid in de groep is belangrijk om de angst weg te nemen.Welke factoren beïnvloeden veiligheid? Groepo Hoe goed kennen de mensen elkaar?o Waar zitten we in het groepsproces?o Hoe groot is de groep? De ruimteo Zijn er pottekijkers of zit je alleen met je groep in een gesloten ruimte? Opdrachteno Moeilijkheidsgraado Korte of lange opdracht bvb. één spel in elkaar steken of een hele spelnamiddago Open of gesloten opdrachto Iedereen kijkt of iedereen is samen bezigo Lichamelijkheid: korte afstand en elkaar moeten aanraken versnelt hetgroepsproces. Doe het niet te snel, sommige mensen kunnen er van afknappen.o Iets samen doen of iets individueel. Is er voorbereidingstijd of niet?o Vertrouwdheid met het onderwerp De begeleiderhouding Sfeer van het geheel: grappig, extreem, inkleding. Als begeleider van een kort aanbod heb je weinig invloed op het groepsproces. De methodiekenen de volgorde ervan zijn je instrumenten om een veilige sfeer te scheppen.VeiligheidUitdagingVervelingAngst

Leertheorie van KOLB:
1. Concrete ervaring:DOEN-VOELEN, de ervaring zelf, de actie, daardoor word je dingen gewaar, ga je voelen
2. Observatie en reflectie:KIJKEN, time-out, zien wat er gebeurt, stilstaan bij de opdracht, reflecteren op
3. Vorming van abstracte begrippen en generalisatiesDENKEN, een oplossing zoeken, of de structuur, of een model, een theorie
4. Toepassing van begrippen in nieuwe situatiesPLANNEN, een nieuwe ervaring of experiment zoeken om de opgedane kennis, de gevondenoplossingen, structuur of modellen uit te proberen.Als je leert, wandel je rond in deze cirkel. Iedereen heeft ook een favoriete leerstijl, dat ismeestal de stap waarop jij instapt in het leerproces. We onderscheiden de doeners, de dromers,de denkers en de beslissers. Bijvoorbeeld:Dit wordt duidelijk aan de hand van de IKEA-kast. Vlieg je er direct in? Kijk je hoeanderen dergelijke kast maken? Neem je eerst het plan vast? …Een goed leermoment wordt zo gebracht dat alle leerstijlen zeker aan bod komen. Op diemanier voorkom je ook dat deelnemers zich gaan vervelen en in de FLOW blijven.

Stap 5: De opeenvolging van methodieken en werkvormen in je werkwinkel

1. Kennismaking - opstart

In dit deel van de werkwinkel is het belangrijk dat er aandacht besteed wordt aan de opbouw. Dit heeft te maken met de mate van ‘veiligheid’ die een persoon ervaart in een groep. Zeker als het gaat om volstrekt mensen die elkaar niet kennen, is het belangrijk om zeer laagdrempeligen niet bedreigend te starten.Een eerste opdracht van een werkwinkel staat los van het vervolg van de inhoud. Het is een soort energizer. Met die energizer breng je de groep op het juiste energieniveau. Is de groepuitgelaten en is het voor het vervolg van de workshop belangrijk dat ze wat rustiger engeconcentreerder zijn, speel dan een spel dat concentratie vereist. Wil je de groep activeren,speel dan een actiever spel. We bekijken wat de beginsituatie is van de deelnemers. Dat kan individueel of voor de groep als geheel.

4 Vragen die je kan stellen in verband met de beginsituatie:

- Zitten we wat betreft het onderwerp op dezelfde golflengte?
- Wat zijn de verwachtingen over dit thema? Dit zegt voor een stuk wat men wil leren(dus wat men nog niet weet/kan/ervaren heeft).
- Wat is hun kennis over het onderwerp?
- Wat is hun ervaring met het onderwerp? Het is belangrijk om op het einde van de werkwinkel de verwachtingen opnieuw te bekijken infunctie van de evaluatie.

Mogelijke opbouw van de kennismaking:

- Ijsbreker: De deelnemers enthousiasmeren en nieuwsgierig maken door de inkledingvan het lokaal, een energizer, door de uitnodiging voor de werkwinkel, …
- Rondje namen en daarna een naamspelletjes
- Verdere kennismaking i.v.m. objectieve gegevens: woonplaats, plaatselijke scouts-engidsengroep, leeftijd,…- Verdere kennismaking i.v.m. subjectieve gegevens: Wat doet die persoon graag, hoeziet hij zichzelf…- Verwachtingen opvragen

2. Leermoment - Midden

Het leermoment kan zowel betekenen: kennisverwerving, meningsvorming, vaardigheidsoefening als attitudevorming. Daarvoor kan je verschillende werkvormen gebruiken:

- Drama (Bijvoorbeeld: inleefspelen, rollenspelen, forumtheater)
- Doceren (Bijvoorbeeld: het louter doorgeven van informatie en daarna inoefenen
- Discussievormen (stellingenspel, ouders uitnodigen, forum, interview),
- Spel (Bijvoorbeeld: Verschillende spelen door elkaar, Bordspel, Quiz, Ren-je-rot, Energizers)
- brainstormen- Beeldend (Bijvoorbeeld: Collage maken, Cartoons, je engagement en Tijdsindeling visueelvoorstellen)
- Reflectie-en evaluatievormen Let erop dat verschillende leerstijlen (zie hoger) aan bod kunnen komen. Nabespreking en duiding na opdrachten zijn belangrijk. Vertel de groep waarom je iets doet. Kom daarna samen tot theoretische kaders.

3. Evalueren - Slot

Bij een kort vormingsmoment gaat het meestal over het evalueren van het product, hier is datde inhoud van het vormingsmoment. Dit doe je best op een formele manier, door rechtsreeksde vragen te stellen waarop je antwoord wil. Vergeet hier ook niet terug te blikken naar deverwachtingen die de deelnemers in het begin formuleerden.

Stap 6: Algemene evaluatie van het vormingsmoment

Na de werkwinkel is het goed om even stil te staan bij het volledige vormingsmoment. Neem deevaluatie van de deelnemers even bij de hand en koppel die aan je eigen evaluatie:- Ben je tevreden over de opbouw van de werkwinkel?- Wat zou je de volgende keer anders doen?- Hoe verliep de samenwerking met je (eventuele) co?- Zijn er zaken die de organisatie (groep, district, gouw, cursusbegeleiding) moet weten vooreen volgende keer? Vertel hen dat dan ook. Als je een nieuwe werkwinkel maakte, of interessante aanpassingen deed aan de bestaande werkwinkel, stuur die dan door naar vorming@scoutsengidsenvlaanderen.be.Of upload je werkwinkel op deze pagina. Op die manier wordt ons werkwinkelbestand uitgebreid en kunnen we het delen met meer begeleiding. Alvast bedankt! Veel succes met het begeleiden…

Inspiratie voor methodieken

Energizers

- Stickerspel en varianten
- Namenketting: Als je elkaar tegenkomt, praat je met elkaar en beantwoord je verschillende vragen
- Baken een vierkant af, schrijf met krijt zo veel mogelijk jouw naam en veeg anderenamen uit op de grond.
- Iedereen heeft een figuur op het voorhoofd gekleefd. Je moet raden wie of wat je bentdoor ja-nee vragen te stellen.
- Heks, reus, dwerg (variant op blad steen schaar)
- Kaartjes met zeer korte opdrachten door elkaar in een hoed, doe ze snel achter elkaarmet iedereen.
- Woesj – How – freak out -Zap- Pang pang- Waregem Koerse
- Ping pong
- Laddercompetitie (2 aan 2 spelletjes- winnaar krijgt sticker opgeplakt)
- In een kring staan en telkens een bepaald lichaamsdeel masseren
- Dansen en liedjes (pinguin; funga alavia, …)
- Aangroeispelletjes
- Rondjes lopen rond een persoon
- Tik om het eerst
- Gelijkbenige driehoek (iedereen houdt 2 personen in gedachten en probeert op hetstartsignaal steeds met die 2 pp in driehoek te staan).
- Iedereen krijgt een opdrachtje. Dit moeten ze uitvoeren op het startsignaal in het donker.
- Bibidibibidibop
- Tikspel konijn-wortel-jager
- Belachelijke aangroeispelletjes (zoals pidoing, duifje duifje, …)
- Ritmespelletjes
- Reactiespelletjes
- Tikkertjesvarianten
- Tempospelletjes
- Expressiespelletjes

Kennismakingsspelen

- Cijfervierkant en varianten (cijfers in juiste volgorde aanraken, met eventuelevoorwaarden eraan gekoppeld)
- Springballetjes met de namen erop. Iedereen pakt één en moet proberen rond diepersoon te lopen. Ook hier terug veel varianten.
- Op een rij stoelen in een bepaalde volgorde gaan staan zonder te spreken (vb. leeftijd,voornaam, aantal jaren in Scouting, …).
- Krantenmeppen met namen
- Afspraken in agenda noteren met alle personen hier aanwezig. De begeleiding roept hetuur om (vb. 3 uur). Iedereen moet dan 1 minuut babbelen met de persoon waar hij een‘afspraak’ mee had.
- Met klei je verwachtingen of wat je bezig houdt creatief voorstellen.
- Iedereen trekt een slaapzak over zijn hoofd. Nu worden de namen één voor één luidopgezegd. Achteraf moet iedereen raden wie wie is.
- Stickerspel met namen
- Bingo
- Spinneweb
- Speeddating of carroussel (gesprekjes met partner in 2 cirkels, waarna er vragenworden gesteld)
- Pang pang
- Namen wisselen per 2. Iemand staat alleen en roept een naam. Deze persoon moetproberen naar daar te lopen zonder dat zijn ‘partner’ hem kan tegenhouden.
- Talentenjacht (cfr. bingo)
- In volgorde gaan staan volgens…. (cfr. schuifpuzzel)
- Stickers met namen (of variaties vb. met eigenschappen)
- In een kring op de buik liggen. Iemand zegt ‘ik hou van spaghetti’. Iedereen die hierook van houdt, rolt nu over de kring tot de persoon die dit gezegd heeft (‘ik ook’).Variatie: ‘ik hou van …’ Doel is dat iedereen op jouw schoot komt te zitten. De volgendestap is ‘ik ben uniek want….’. doel is dat niemand op jouw schoot komt te zitten.
- Jezelf voorstellen aan de hand van je portefeuille of je sleutels. Variant: 3 verhalen:welke is gelogen?
- Spin the bottle, als de hals van de fles in jouw richting komt, moet je iets over jezelf vertellen of een vraag beantwoorden.
- Spinneweb (in verschillende fases een bol wol doorwerpen en op het einde terugwerpenen oprollen vb. eerst namen, dan hobby’s, …).
- Enveloppe met opdrachtjes in.
- Ansichtkaarten: leg 20 tot 40 postkaarten (de gratis Boomerang kaarten zijn hier goedvoor) op tafel. Opdracht: neem een kaart die iets meer zegt over jezelf (of een kaart dieje doet denken aan een leuke ervaring als vrijwilliger). 1’ per kaart.
- Bingo: iedereen krijgt een bingo kaart. Zoek voor elke stelling een persoon die aan devoorwaarde voldoet. Je mag de vraag niet letterlijk stellen. Als je wilt weten of iemanduit Oost-Vlaanderen komt vraag je bvb. ‘waar woon je’. Als je kaart vol is, roep je‘Bingo’. Elke persoon mag maar één keer op de kaart voorkomen. Je kunt plenair dannog eens de vragen overlopen. Wie aan de voorwaarde voldoet stelt zich even recht.Variant met opdrachten: als je een opdracht gedaan hebt, schrijf je op de kaart met wieje dat gedaan hebt.
- Groeperingspel: iemand stelt gesloten vragen. Als je antwoord op de vraag ‘ja’ is sta jeeven recht of stap je naar de overkant van de cirkel.- Interview: De groep wordt verdeeld in duo’s. Persoon A interviewt persoon B gedurende5’. Persoon B interviewt persoon A gedurende 5’. Daarna stelt persoon A, persoon Bvoor aan de groep in 1’ en omgekeerd.Varianten:o A ® B & B ® AZoek 3 woorden waarvan 2 gelijkenissen en 1 verschil tussen jullie beiden.Die woorden worden in de groep gesmeten
– zij raden.o Groepsinterview:A interviewt de andere groepsleden over hun hobby’s, B interviewt daarna de mensenover hun privé-situatie (telkens 5’).Daarna maakt iedereen een flap met de resultaten. Die worden omhoog gehangen. Deandere groepsleden kunnen rondlopen en de mensen leren kennen.o Je kunt ook een lijst maken van vaste vragen waarvan je weet dat ze veel zeggenover de andere persoon.o Kennisvariant : je kan mensen op straat gaan interviewen over… om zo deverschillende meningen te weten te komen. Met die info kan je dan een muurkrantmaken.
- Introductie op letter: kies een letter uit het alfabet. Verzin 3 à 5 woorden die iets meerover je zeggen die beginnen met die letter.
- Knowing me, knowing you: iedereen zit in een cirkel of carré. A is de buur van persoonB, van persoon C, … Persoon A heeft een kaartje met daarop 5 persoonlijke vragen overpersoon B. Hij leest de vragen luid op. De andere noteren. Voorbeeld vragen. Wat zoupersoon B als eerste doen als hij de macht had om eender welke Belgische wet teveranderen? Nadat alle vragen over persoon A de revue zijn gepasseerd, overlopen wede vraag opnieuw. De mensen vertellen hun antwoorden. Daarna mag persoon B op devraag antwoorden. De mensen die het juist hadden krijgen een punt. Persoon B, magnog verduidelijking vragen.- Leugendetector: vertel een verhaal over jezelf van maximum … ‘, met een leugen in. Deandere moeten raden wat er fout was.
- You: Iedereen staat in een cirkel. De trainer smijt een balleke door naar een persoon inde cirkel en zegt ondertussen die persoon zijn naam. Die smijt het terug door naar eenvolgende persoon (iemand die het balletje nog niet gehad heeft). Zo tot iedereen hetballetje gehad heeft. We onthouden aan wie we het balletje doorsmeten. We doen hetnog eens in dezelfde volgorde. We smijten een ander balleke door en als je dat smijtA BD CA BD Cg zeg je ‘you’. Het balletje wordt in een andere volgorde gesmeten dan het eerste. Weoefenen dit in. Nu doen we hetzelfde met de twee ballekes. Voor de gevorderden: wegeven alleen de woorden door dus ‘you’ en de namen.Groepen indelen
- Celebration: Zet kommetjes met verschillende snoepjes op tafel. Iedereen moet eensnoepje kiezen. Het soort snoepje bepaalt in welke groep je zit.
- Spaghetti: Je hebt een heleboel eindjes touw die je vast neemt in het midden. Iedereenvan de groep neemt een uiteinde van het touw vast. De opdracht: haal de touwen uitelkaar zonder je uiteinde los te laten. Degene die hetzelfde touw vastheeft als jou, is jepartner.
- Spreekwoorden: iedereen heeft een kaartje met een spreekwoord op. Zoek de mensenmet een zelfde woord in het spreekwoord.Bijvoorbeeld: Oog om oog, tand om tand, Door het oog van de naald kruipen
- Andere helft van je duo zoeken door vragen te stellen, blad met naam op je ruggekleefd (Tom en Jerry, Bassy en Adriaan)- Werken met 3 verschillende geuren parfum op het hand, als je hetzelfde ruikt, vorm je een groepjeOnderzoeken beginsituatie
- Aftasten via gesprek
- Collage maken over je interesses, verwachtingen,… (ook op voorhand mogelijk)- De axenroos in het groot op de grond
– iedereen neemt positie in wat hij/zij wil leren
- Stickertjes plakken- Diepvries-oven (welke onderwerpen vind je “hot” en welke wil je nog even bevriezen)
- Verwachtingen op een ballon schrijven en opblazen- Boemerangkaarten (of reclame, tijdschriften, …) leggen en deelnemers kunnen kaartenkiezen die iets zeggen over hun verwachtingen
- Vragenrondje
- Quiz doen
- Wat weet ik en wat wil ik weten
- Rollenspelen
- Materiaal leggen op de grond (rond technische zaken of crea). Wat heb je nog nooitgezien?
- Verwachtingen opschrijven en hiervan een lijst maken. Samen met de groep aanduiden:groen= zeker doen; oranje = als er tijd is; rood = liever niet.
- Flappen
- Waslijn ophangen met verwachtingen aan, deelnemers kunnen ze eraf halen als zevoldaan zijn.- Actualiteit: Haal iets aan uit de actualiteit bvb. met een krantenartikel, stuk uit tv, Watheeft dit te maken met het onderwerp?
- Cartoonanalyse: Cartoon gebruiken als brainstormopdracht daarna link met onderwerp.
- Citaat, Loesje poster: Toon citaat of een Loesje poster. Wat vinden jullie er van? Welkverband heeft het met de vorming? Leg uit waarom jij het las?
- Gedicht of lied: Voordragen, Wat vind je er van?
- Reclame: 2 tot 6 stukjes televisiereclame die aansluiten op de vorming, fragment 1 en dan reacties uit publiek
- Statistische gegevens i.v.m. het onderwerp. Zelf statistieken sprokkelen: Presenterenaan anderen, Klopt de stelling & de statistiek ‘ja’ of ‘nee’Leermoment
- Brainstormen: Wilde ideeën spuien zonder af te wijzen. Alles is goed onderdeel van het creatief denken (alles opschrijven).
- Coachen: Iemand smijt vraag in groep Bijvoorbeeld: Hoe ga je om met iemand die nietmee wil spelen? Andere deelnemers schrijven interventies op, op post-its en hangen dieop 2de flap. Er volgt een groepsdiscussie: Welke ‘oplossing’ is de beste + argumentatie Er wordt 1 interventie gekozen.

Nabespreking

Waarom is een interventie effectief?Criteria voor een goede interventie/ slechte interventie worden opgelijst. Vooral tof voormensen met veel ervaring omdat ze oplossingen zoeken voor anderen.
- Video
-debat
- Stellingenspel Bijvoorbeeld: Met een ballon: hoe groter de ballon hoe meer je er mee akkoord gaat,Met fluovestjes: aan = akkoord en uit is niet akkoord, Met een levensgrote grafiek, Je klein of groot maken, Met rode en groene kaartjes, Je plaatsen in de ruimte Kort geding: Een iemand verdedigt een stelling, iemand anders probeert het ‘teveroordelen’. De jury beslist.o Strikte timing: 5’ advocaat voor pleidooi, 5’ pleidooi advocaat tegen, 3’ondervraging en kruisverhoor getuigen voor, 3’ ondervraging en kruisverhoorgetuigen tegen, 5’ slotbeschouwing advocaat voor, 5’ slotbeschouwing advocaattegeno Stemming (eens, oneens, geen mening)o Groep verdelen & rollen verdelen. Voorbereiding (eventueel via internet, …)o Stemming
- Engel en duivel: Een iemand verdedigt een stelling, de andere speelt advocaat van deduivel.o 1’ A &B proberen C te overtuigen van hun gelijko C reageert niet (ook niet non-verbaal)o C zegt welke de beste argumenten waren.o Daarna doorschuiven (nog eens)o Argumenten inventarisereno Staand = activerend
- Flapdiscussie: Er hangen flappen op en je schrijft op wat je er van vindt (of met post-its).
- Stillewanddiscussie: Schriftelijk discussiëren over de evaluatie, stellingen ofaanvullingen
- Luciferspel: Iedereen krijgt 3 lucifers en mag evenveel bijdragen in het gesprek doen, 1minuut spreektijd per lucifer (bijvoorbeeld: 10 lucifers) Evaluatie van de communicatieBijvoorbeeld: Tijdens vergadertechnieken. Wiens lucifers waren het snelst op?
- Mindmappen: Brainstorm via mindmap methode. Iedereen rond flappen maaktopvallende associaties die dan in een in nieuwe mindmap komen.- Forumdiscussie: mensen zeggen hun mening zonder echt in discussie te gaan3 forumleden: vooraf bestudeerdVoorzitter = docent1. Inleiding (max 10’)2. elk forumlid (max 3’)3. Onderling in discussie (max 10’)4. deelnemers reageren kort (1’)5. voorzitten: vat de standpunten samen & conclusiesSoort minipresentatieNotulist
- Rollenspel
- Forumtheater
- Groepsopdrachten
- Blindemanstocht
- Samenwerkingsopdrachten
- Kwinkslag (bestaand spel CIS)RechterJuryAdvocaat tegensecretaris Advocaat voorsecretarisneutraalACBVoor het één Voor het andere
- Observatie
-opdrachten
- Filmen van opdrachten
- Spel/quizBijvoorbeeld: Slimste mens, Hints & pictionnary, Pappenhamers, Zeg’s euh of taboe, Wijvroegen aan 100 scouts… Wat is hun antwoord, Swingpaleis (bvb. bij kinderliedjes),Opbieden, Blokken ® met legoblokken of jenga, 1 tegen 100, 3 wijzen, Slechtsdenkbare manier om,…
- Boksmatch met argumenten
- 2 groepen die elkaar moeten overtuigen
- Rechtbank
- Simulatiespel (vb. met bepaald budget)
- Inleefspel
- Dorpsspel (vb. rond administratie van een groep langsgaan bij verschillende ‘diensten’)Evaluatiemethodieken
- Koppeling aan beginsituatie/verwachtingen (nu kan je de ballon met verwachtingendoorprikken)
- tijdslijn van cursus met hoogte en laagtepunten
- standbeelden
- thermometer
- applausmeter
- hoog
– laag gaan staan in de ruimte
- WC-boekje
- Ballon met papiertjes in waarop thema’s staan om te bespreken
- Atlas van de belevingswereld
- Voetbalveld met mannetjes (posities)
- Post-its op flappen hangen groen = ok, rood = minder goed
- Op een lijn gaan staan van goed
– minder goed.- Boekje of wc-boekje
- Kermiseendjes in het water droppen met cijfers op achterkant. 3 = ok, 1= minder goed- Vrije methodiek. Iedereen krijgt 3 voorwerpen en mag dus 3 keer het woord nemen.
- Op verschillende plaatsen op de trap gaan staan (hoger – lager, ...)
- Varianten op ‘ik ga op reis…’ en ik neem mee
- Vuilnisbak, rugzak, schatkist- Smakelijk eten: Hoe vond je de vorming? Antwoord met een vergelijking met eten. Bijvoorbeeld: Ik vond het een beetje een rotte banaan. Op het eerste gezicht zag ik het niet zitten. Voorbij de eerste indruk bleek het toch nog heel lekker te zijn.Variant: Je kunt mensen hun gevoel of het idee dat ze hebben van de groep ook latenvergelijken met een auto of een fruit of…
- Muurgesprek. Stel duidelijke vragen die op flappen hangen: Wat heb je vandaaggedaan?, Wat heb je vandaag gevoeld? Wat heb je vandaag geleerd? Wat ga je in depraktijk gebruiken? De mensen zetten hun antwoorden op post-its en hangen ze op deflappen. De vragen zijn gebaseerd op de leercirkel van Kolb. Deze brochure werd ontwikkelt voor drie avondjes vorming, werkwinkel begeleiden.



in