Het eerste wat je doet als je niet meer weet waar je bent, is gewoon even de hele situatie rustig te bekijken:

De omgeving

Waar ben je? In een bos, zo ja, is dit een loofbos, een dennenbos, een gemengd bos? Sta je in akkerland of weideland? Is er water (rivier, beek, meer of vijver) in de buurt?

Zijn er andere opmerkelijke objecten in de buurt? Zie je kerktorens, watertorens, forten, kastelen of andere dingen die in het oog springen op de kaart?

Is er een weg in de buurt (waarschijnlijk sta je op een weg)? Zo ja, is de weg verhard, zand, halfverhard (weet je hoe je dat herkent op de stafkaart?). Is er een kilometerpaaltje in de buurt? Daar staat altijd het nummer van de weg op, hiermee weet je direct waar je bent.

Om met deze informatie iets te kunnen doen, is het van belang dat je weet hoe al die elementen op een kaart worden weergegeven. Kortom dat je de conventionele tekens of kaartsymbolen kent. Maak van het herkennen van kaartsymbolen in het landschap rondom je dan ook een gewoonte. Volg ook als je perfect weet waar je bent en hoe je moet gaan, je route op de stafkaart. Iedere keer leer je weer een beetje meer.
(uit: legende voor de kaart 1/10.000 NGI)


TIP: Heb je er ooit op gelet dat je in een bos perfect het verschil ziet tussen verschillende soorten begroeiing? Loof- of dennenhout, gemengd hout of boomgaard, de kaart wijst het je precies aan! Probeer het eens uit onder gecontroleerde omstandigheden, wandel bijvoorbeeld op VVKSM Domein De Brink in Herentals van Zonnedauw naar de Toeristentoren. Een wandeling van een kilometer die je verschillende soorten vegetatie doet herkennen op de stafkaart.

Gezond verstand

Wat was de laatste zekere positie? Hoelang geleden ben je daar voorbij gekomen? Kun je er opnieuw naar toe? Welke logica volgden jullie (indien uiteraard sprake van enige logica) zodat jullie hier geraakten? Zijn jullie opvallende objecten tegengekomen tussen de laatste gekende positie en hier, en kan iemand die op de kaart terugvinden?

Probeer het landschap te vertalen in kaartelementen: hoogtelijnen, waterpartijen, holle wegen, taluds, hoogspanningslijnen, ...

De combinatie van alle observaties en bedenkingen zullen je hopelijk in staat stellen om op de stafkaart te bepalen waar je zit.

Lukt het nog niet, begin dan met het uitschakelen van de plaatsen waar je zeker niet zit.

Kaart en kompas

  • Oriënteer je stafkaart, richt de bovenkant van de kaart naar het noorden. En natuurlijk trap je niet in valstrikken zoals het uitspreiden van de kaart op de motorkap van een auto, waardoor je magnetisch kompas totaal de kluts kwijtraakt!.
  • Ga na wat de leeftijd van de kaart is. Wegen, bebouwing en begroeiing kunnen op korte termijn veranderen. Wat veel minder snel verandert, zijn bijvoorbeeld het reliëf en de waterpartijen, spoorlijnen, kerken (je ziet vanzelf of die er al langer staan dan de laatste paar jaar), kastelen enz.
  • Geloof altijd je kompas: als je door een dichtbegroeid bos of over een grote open vlakte loopt heb je vaak het gevoel dat je niet rechtdoor loopt en je kompas je in rondjes stuurt. Vertrouw toch maar op je kompas, zolang je het verwijderd houdt van metalen voorwerpen, wijst het altijd het noorden aan.
  • Hou de tijd in de gaten: weten hoelang je onderweg bent en wanneer je verondersteld wordt om het volgende referentiepunt te vinden, zou je moeten waarschuwen wanneer je op de verkeerde weg bent.
  • Kan je de zon zien? De zon komt altijd op in het oosten, gaat onder in het westen en passeert dus in het zuiden. Als je naar het noorden moet en de zon schijnt in je gezicht, is er iets mis.
  • Stijg je of daal je en klopt dit met de kaart?
  • Water stroomt altijd naar beneden.
  • Als je landmerken in de buurt hebt (kerktorens, kastelen, een pretpark...) kan je met behulp van je kompas een zichtpeiling doen. Deze methode wordt ook wel triangulatie genoemd. Het komt erop neer dat je met je kompas het magnetisch azimut van de (gekende) objecten (de landmerken dus) schiet. Nadien zet je de richtingen uit op de kaart, aangepast aan de afwijking tussen het magnetische en het echte Noorden). Het snijpunt van de peilinglijnen bepaalt je positie.
triangulatie

Tip
Bij een zichtpeiling heb je het minst kans op fouten als je de doelen zoveel mogelijk spreidt over de horizon. De ideale hoek tussen drie landmerken is dan ook 120 graden, maar ook hier geldt de regel: “Als het niet kan zoals het moet, dan moet het zoals het kan!”.

Tot slot

We leven in een dichtbevolkt gebied, de kans dat je in België gedurende langere tijd verloren loopt, is redelijk klein (hoewel we uit ervaring weten dat ook een paar uur soms vervelend kan zijn). En we zouden uiteraard geen echte scouts en gidsen zijn als we ons niet uit de slag zouden kunnen trekken. Gewoon even vragen naar de weg in een niet onaantrekkelijk horeca-etablissement behoort natuurlijk ook nog steeds tot de mogelijkheden.

Een absolute aanrader is dit: wacht niet tot je leden verdwalen, geef ze regelmatig een oefening (vermomd  als spel, uitdaging of opdracht) om heel snel te kunnen aanduiden waar ze zich exact bevinden. Je zal merken dat er altijd een paar zijn die instinctief volgen hoe je loopt, waar je voorbij kwam, welke de kenmerken van het terrein zijn waardoor ze weten waar ze zijn.

Die opmerkzaamheid is één van de goede oude scouts- en gidsenwaarden, waardoor de scout en gids de naam van “padvinder” weten waar te maken!